Tijdens de millenniumwisseling was Linda Voortman actief bij de GSb. Eerst als bestuurssecretaris, daarna als VOS-lid van de Universiteitsraad. Dat betekende het begin van een onstuitbare politieke opmars: in 2002 werd ze lid van de Groningse gemeenteraad, in 2010 Tweede Kamerlid en sinds juni vorig jaar wethouder in Utrecht. In gesprek met de Nait Soez’n blikt ze terug op 20 jaar belangenbehartiging.

Hoe ben je bij de GSb terecht gekomen? En waarom?

Tijdens de KEI-week heb ik de GSb leren kennen. Toen kregen we allemaal informatie thuis en heb ik gekeken wat er allemaal aan organisaties was. Ik wist al wel dat ik iets met politiek wilde doen. Ik zat op de middelbare school niet in een leerlingenraad ofzo, maar ik wilde wel opkomen voor de belangen van ‘mijn groep’, de studenten op dat moment. Ik heb me toen verdiept in de GSb, in de SOG, een aantal politieke jongerenorganisaties… Wat me aansprak bij de GSb was de activistische kant. Niet alleen praten, want wat kun je ook doen om invloed uit te oefenen als praten niet meer helpt? Ik ben voor de eerste keer in aanraking gekomen toen ik naar een vergadering ging van een PR-werkgroep, geloof ik. Gewoon heengegaan, blijven hangen en daarna in het bestuur terecht gekomen en in de eerste VOS-fractie [Vooruitstrevend Overleg Studenten, red.]. Vanaf daar ging het eigenlijk vanzelf verder.

Waarin verschilden een bestuursjaar en een fractiejaar van elkaar?

Het bestuur van de bond ging over alles. Dat kon studentenhuisvesting zijn, kwaliteit van het onderwijs, inkomens, noem maar op. Als lid van de Universiteitsraad (Uraad) ben je bezig met dingen die spelen binnen de universiteit. Dat is het verschil tussen volksvertegenwoordiging en brede belangenbehartiging. In de Uraad probeer je in die vergadering en in al die overleggen daaromheen invloed uit te oefenen. Dat doe je als GSb-bestuur ook wel, maar daarvoor heb je ook andere middelen. We waren bijvoorbeeld heel actief in de LSVb om op die manier op landelijk niveau het beleid te beïnvloeden. Actievoeren was voor ons net zo’n middel. In die zin is de Uraad een parlement en probeer je dus langs parlementaire weg invloed uit te oefenen terwijl de bond geschikter is voor andere manieren.

Wat kenmerkte het studentenleven in die jaren?

Voor mij overheerste het gevoel dat er heel veel mogelijk was, dat je heel veel zelf kon bepalen. Bij de GSb ben ik gewoon zó binnen komen lopen. Je kunt natuurlijk via vrienden en kennissen actief worden, maar bij mij is het zo gegaan. Het leuke van Groningen zijn natuurlijk de ruime openingstijden van het kroegleven en, vooral: het is zo divers. Je hebt de maatschappelijk actieve organisaties maar ook de studentenverenigingen, van Cleopatra tot Vindicat. Het is er allemaal, voor ieder wat wils. Groningen is voor mij de stad waar ik politiek volwassen ben geworden. Ik heb er 10 jaar gewoond en je komt er binnen als iemand die voor het allereerst zelfstandig gaat wonen en je gaat er weg als iemand die een schat aan wijsheid, ervaring en scholing heeft opgedaan.

Wat waren de grote thema’s die studenten aangingen tijdens je GSb-periode?

Studentenhuisvesting was een belangrijk onderwerp. Er was niet alleen een tekort aan studentenwoningen maar in sommige buurten ook forse tegenstand tegen de komst van studentenhuizen aldaar. Toen ik in de gemeenteraad zat kreeg ik daar ook mee te maken. Die buurten probeerden de besluitvorming in de raad te beïnvloeden om ervoor te zorgen dat die studentenhuizen er niet kwamen. De invoering van de bachelor-masterstructuur stond ook op de agenda. Het was erg interessant om te kijken hoe die overgang van de oude naar de nieuwe structuur zou plaatsvinden. Ik herinner me ook dat we actie hebben gevoerd voor meer studenteninspraak. De MUB [Wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie, red.] gaf studenten op heel veel zaken geen instemmingsrecht [was vóór invoering in 1997 wel het geval, red.].

Wat heb je opgestoken van je tijd bij de bond?

Heel veel! Met name het kijken naar wát je wil bereiken en hóé je dat wil bereiken. Wat is nou de beste route daarvoor? Eigenlijk is het altijd het beste om eerst het gesprek aan te gaan, maar als dat vervolgens niet genoeg oplevert is het goed om na te gaan wat je dan gaat doen. Ga je dan naar een Uraadspartij toe, ga je actievoeren of een combinatie van die beide? De eerste mediaervaring heb ik er ook opgedaan. Dus hoe gedraag je je in een interview, hoe zorg je dat je punt goed naar voren wordt gebracht… In de loop der jaren heb ik dat wel verder verfijnd. Als ik nu een persbericht van mezelf zou zien uit m’n GSb-tijd, zou ik wel denken: jeetje, hoe heb ik dat nou zó kunnen schrijven? Spreken in het openbaar heb ik eveneens flink verbeterd. Op de middelbare school vond ik dat doodeng, maar tegenwoordig sta ik voor honderden mensen te spreken! Dat ging heel geleidelijk hoor, het was niet zo dat ik bij de GSb zelf voor grote groepen mensen hoefde te spreken. Hoewel, op een ALV al wel een beetje. Daar zaten heel ervaren mensen bij en aan hen moest ik als bestuurslid, tweedejaars nog wel, verantwoording afleggen. Dat spreken was gewoon een kwestie van vaak doen. Ik herinner me ook nog wel dat we tijdens voorbesprekingen van een Uraadsvergadering goed overlegden over wat we gingen zeggen. Later ging dat in de gemeenteraad en de Tweede Kamer net zo. Wat is onze boodschap? Je zit er immers niet namens jezelf, maar namens een groter geheel.

Naast het VOS was er de SOG als stem van de studenten. Hoe waren de verhoudingen tussen beide partijen?

Over het algemeen waren de verhoudingen goed, maar je moet bedenken dat we de eerste VOS-fractie waren. Vóórdat het VOS werd opgericht was er maar 1 studentenfractie in de Uraad. Wij vonden dat heel raar, je kon helemaal niet kiezen. Stel je voor dat je bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer alleen maar kunt stemmen op de VVD. We vonden het erg ondemocratisch en daarom richtten we onze partij op. Dat vond de SOG in het begin natuurlijk niet leuk. Ik denk dat ze ook wel erg op hun hoede waren. Het was toch ook wel erg stereotiep allemaal. Wij waren wat meer de alternatieve fractie, gelieerd aan de studentenvakbond, en zij waren wat meer de corporale fractie. In die zin denk ik dat we een goede doorsnede waren van het Groninger studentenleven. De verschillende stromingen werden vertegenwoordigd doordat er 2 fracties waren. Daarnaast werden er ook wel politieke spelletjes gespeeld. Als de ene fractie zich ergens voor had ingezet, claimde de andere het in de campagne. Wat dat betreft was de Uraad een miniparlement.

Wat maakte GroenLinks de partij om je bij aan te sluiten?

Ik ben lid geworden van GroenLinks toen ik ging studeren, maar ik wilde eerst vooral in het studentenleven actief zijn. Toen ik in het bestuur en de fractie had gezeten, heb ik een cursus gevolgd ‘Wegwijs in de gemeenteraad’ en dat vond ik zó leuk dat ik me gewoon kandidaat heb gesteld. Ik kwam op plek 6 te staan en we kregen ook 6 zetels. Wat me meteen aansprak was de koppeling tussen groen en links: klimaat, verduurzaming, ervoor zorgen dat de wereld voor onze kinderen ook prettig is om te leven. Dat is voor mij ook solidariteit en dus links – opkomen voor de mensen die het minder goed hebben. Natuurlijk zijn er meerdere partijen die links zijn, maar de koppeling tussen groen en links of links en groen is het beste terug te vinden bij GroenLinks.

Wat is de rode draad geweest in je carrière toen je van de universiteit ging?

In de gemeenteraad heb ik van alles gedaan. Pas toen ik de Tweede Kamer in ging realiseerde ik me dat ik graag de mensen een stem wil geven die het niet al te makkelijk hebben. Als GSb-bestuur kwam je ook op voor mensen die niet al te kritisch wilden zijn op hun huisbaas, of voor mensen die niet altijd weten hoe ze iets aan de orde moeten stellen. Als bestuurslid en als fractielid motiveer je mensen om voor zichzelf op te komen. In de gemeenteraad kwam dat ook terug, denk aan een betere verdeling van armoedevoorzieningen. Als Kamerlid hield ik me bezig met de positie van mensen die werken in de zorg. Het gaat me dus altijd om mensen die ‘op achterstand staan’, bijvoorbeeld omdat ze een overheid tegenover zich vinden of instituties die veel macht hebben. Ik sta altijd aan de kant van degenen die het minder makkelijk hebben. Dat doe ik als wethouder nu ook nog.

Wat vind je het interessantste beleidsterrein om politiek actief te zijn?

Mensen met laagbetaald werk, zoals thuiszorgmedewerkers en schoonmakers. Zo heb ik bij FNV gewerkt in de schoonmaaksector. Het gaat me om degenen die Nederland draaiende houden maar daarvoor maatschappelijk en financieel minder gewaardeerd worden. Ze voeren ook minder makkelijk actie omdat ze dan hun leerlingen of hun patiënten in de steek moeten laten. Hén helpen doet mijn hart sneller kloppen.

Wat is je grootste uitdaging als wethouder voor de komende jaren?

In Utrecht zitten ongeveer 10.000 mensen in de bijstand. Nu gaat het economisch goed – we weten alleen niet hoelang dat nog zal duren – maar we moeten zoveel mogelijk mensen aan het werk zien te krijgen. Dat gaat om mensen die al langer werkloos zijn. Ze verloren hun baan in de afgelopen crisis of soms zelfs daarvóór al. Als we ze nu niet aan een baan kunnen helpen, zal dat bij een slechter draaiende economie helemaal niet gebeuren. Dan is de afstand tot de arbeidsmarkt echt veel te groot geworden. Als je heel lang niet aan het werk bent, heeft dat invloed op van alles. Het beïnvloedt niet alleen je financiële situatie doordat je geld tekort komt en je schulden oplopen, maar het heeft ook nadelige effecten op je gezondheid, op je eigenwaarde… Als ik één onderwerp zou moeten noemen voor de komende tijd, dan is het wel deze mensen aan het werk helpen.

Christiaan Brinkhuis