Interview met Wimar Hebels

“Een laatbloeier,” zo noemt hij zichzelf. Wimar Hebels (1982) kwam met 25 jaar de GSb binnen als bestuurssecretaris in 2006-2007. Daarvóór had hij al een jaar in de faculteitsraad van Letteren gezeten en niet al te lange tijd na zijn bondsjaar werd hij penningmeester van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb). Ook na deze tour de force kon de belangenbehartiger zich niet rustig houden: de historicus is al een aantal jaren in dienst van de SP-fractie in de Tweede Kamer, alwaar hij op het onderwerp Financiën zit. In gesprek met Nait Soez’n blikt hij terug.

Hoe ben je bij de GSb terechtgekomen? En waarom?

Ik zat in 2005 in de faculteitsraad van Letteren. Ik wilde wat meer erbij gaan doen en heb me toen gekandideerd voor de VOS-fractie [Vooruitstrevend Overleg Studenten, red.] in de Universiteitsraad. Helaas stond ik te laag op de lijst om erin te komen en zo ben ik het bestuur van de GSb ingegaan. In de faculteitsraad merkte ik dat je beperkte invloed hebt. Uiteindelijk merkte ik ook, naarmate de campagne voor de Universiteitsraad verderliep, dat zo’n bondsbestuur veel interessanter is.

Wat kenmerkte het studentenleven in die jaren?

In mijn beleving was er veel vrijheid om te ontdekken wat er op je pad zou kunnen komen. Ik had in ieder geval niet echt een doel. Een groot verschil met nu was dat er meer druk was. Dat begon al toen ik begon met studeren Daarom deed ik meerdere opleidingen en heb ik er van alles bij naast gedaan – geschiedenis en wijsbegeerte van een bepaald wetenschapsgebied, om precies te zijn. Er waren altijd veel historici bij de GSb te vinden.

Wat onderscheidde de GSb van andere studentenorganisaties?

De GSb heeft natuurlijk een intrinsiek doel. Het is niet zomaar een gezelligheidsclub. De bond zet zich in voor meer dan alleen het studentenleven zelf. Ik heb me in mijn bestuursjaar ingezet voor de verhoudingen die soms nogal gespannen waren tussen kamerverhuurders en de wijken waarin die kamers gevestigd waren. Daarnaast was de GSb erg los, in de zin dat er veel verschillende denktranten naast elkaar bestonden. We hadden destijds veel actieve leden die bij een politieke partij of jongerenorganisatie zaten, maar dat ging allemaal aardig goed samen. Daarin was een zekere vrijbuitersmentaliteit te vinden. Je was ook echt altijd wel bezig met iets. We gingen bijvoorbeeld gewoon eens een enquête afnemen op de Hanze. Er kwam dan ook veel creativiteit bij kijken om dat allemaal te doen.

Wat is je het meest bijgebleven van je bestuursjaar?

Als je het hebt over de relevante dingen die we hebben gedaan, zogezegd, dan is me veel bijgebleven van de vele discussies die we hebben gehad om de VOS-fractie om te dopen in de GSb-fractie. Dat deed veel stof opwaaien. Ik ben ook veel bij LSVb-zaken geweest en daardoor merk je dat veel mensen op een nog hoger vlak bezig waren. Bij de GSb waren we erg lokaal gericht, met dat landelijke was ik veel minder bezig. Andere studentenvakbonden gingen daar heel anders mee om. De soms ellenlange ALV’s en de moeite die het kostte om mensen naar ALV’s toe te krijgen, staat me ook nog helder voor de geest. Je hebt heel veel aan een ledenvergadering, maar als daar alleen maar oud-bestuursleden zitten, dan verliest het toch aan relevantie. Daar wil je toch graag meer mensen bij hebben, maar het is aan het zittende bestuur om het aantrekkelijk te maken om te komen!

Wat vond je het hoogtepunt van je bestuursjaar?

Als je spreekt in termen van succes, dan deden we ons uiterste best om meer te doen met Hanzestudenten. Dat is altijd al een probleem geweest. We wilden hen meer bereiken door te enquêteren in de gebouwen daar. Het was voor de rest een nogal rumoerig jaar, waarbij je moet denken aan bestuursleden die het nogal lieten afweten. Iemand van ons deed een heel stuk minder en liet uiteindelijk niets meer van zich horen. We hadden ook veel met huisvesting gedaan en daar ook heel wat op kunnen bereiken, maar ik weet simpelweg niet meer wat dat was.

Wat waren de grote thema’s die studenten aangingen in je GSb-periode?

Als het gaat om hogeronderwijsbeleid, dan was het heel lauw in die tijd. Mark Rutte was net weg als staatssecretaris en hij was opgevolgd door Bruno Bruins. Rutte had een plan voor het hoger onderwijs dat hij met veel bombarie aankondigde en waarmee hij in alle regels wilde snijden, maar Bruins zette dat plan in de ijskast. Het kabinet-Balkenende III was toen al demissionair. Na Bruins kwam Ronald Plasterk, maar die heeft ook weinig gedaan. Twee jaar eerder was er nog een enorme demonstratie van een paar duizend mensen in Groningen tegen Rutte en andere kabinetsplannen. Het mobiliseren van mensen op dat vlak werd aldus een stuk moeilijker, want er waren relatief nietszeggende bewindspersonen. Lokaal was er wel heel veel. Zo waren er bij de letterenfaculteit veel financiële problemen en dat is heel lang zo gebleven. Bij de gezelligheidsverenigingen speelden bovendien affaires met ontgroeningen, die gingen er ruig aan toe. Iemand van geschiedenis die ik kende is bijna in coma geraakt omdat hij 6 liter water moest drinken als ontgroening! Een hoogtepunt dat helemaal aan het einde kwam was het kraken van het oude postkantoor aan het Gedempte Zuiderdiep, dat we hebben omgebouwd tot een woonwinkel. Die actie voerden we uit samen met ROOD en DWARS. Ook hebben we het oude IBG-kantoor [Informatie Beheer Groep, voorloper van DUO, red.] aan de Steenhouwerskade gekraakt, waarna daar zo’n 100 tot 150 mensen konden gaan wonen. Het was in ieder geval heel tof om te doen!

Na de GSb ben je ook penningmeester geweest van de LSVb. Wat veranderde er daarmee voor jou?

Ten eerste moest ik naar Utrecht verhuizen en ten tweede is de LSVb een fulltime baan, dat maakte al een groot verschil. Ik ging toch wel anders naar de GSb kijken, maar dan meer als organisatie. Je hebt te maken met alle andere studentenbonden – toen hadden we er nog 11 – en daardoor verandert de dimensie waarin je werkt. Dan heb je ook niet meer te maken met een monolithische structuur zoals bij de GSb, waar men toch vrij eenzijdig dacht over bepaalde kwesties. Juist dan bemerk je de grote verschillen in de studentenvakbondwereld. Per regio verschilt het ook zo sterk. Uiteindelijk kom je dan uit bij het sluiten van compromissen. Als je de GSb ertussenuit haalt, dan was de GSb veel ‘strenger’ dan de rest. Op het gebied van huisvesting, die ik onder mijn hoede had, vonden de ASVA en de USF [Utrechtsche Studenten Faculteiten, voorganger van VIDIUS, red.], dat de LSVb voor variabele studiefinanciering moest gaan pleiten. In die steden waren de kamerprijzen zó hoog dat studenten daar hogere studiefinanciering moesten krijgen. De GSb reageerde daarop door te zeggen dat je daarmee alleen maar de huisjesmelkers zou gaan spekken. Dat idee is één keer ter sprake gekomen en daarna heeft niemand het er ooit nog over gehad, gelukkig.

Wat heb je opgestoken van je tijd bij de bond?

Ik ben vooral veel over mezelf te weten gekomen, dat is in die tijd van je leven toch een heel goede manier om jezelf te kunnen ontwikkelen. Ik was rond de 25 jaar toen ik bij de GSb kwam en nog volop in ontwikkeling! In de omgang met mensen leer je ook erg veel. Ook leer je de samenleving veel beter kennen. We hebben wel eens met burgemeester Jacques Wallage niet alleen gesproken over studentenhuisvesting maar ook over zijn tijd bij de Gronstra [Groninger Studentenraad, voorloper van GSb, red.] 40 jaar daarvoor. Dat soort ervaringen maken je wereldbeeld completer. Als je alleen maar studeert, dan ben je heel erg opgesloten in je eigen wereldje. In mijn functie als secretaris leerde je het hele bestuursleven natuurlijk ook beter kennen, denk aan een vervelend klusje als ledenadministratie. Ik ging vanuit het bestuur ook over de Nait Soez’n en daar leer je, anders dan bij geschiedenis, echt voor een publiek schrijven. Inzicht in hoe politiek werkt, zowel lokaal als landelijk, komt verder ook om de hoek kijken.

Wat is de rode draad geweest in je carrière toen je van de universiteit ging?

Vooropgesteld: ik ben heel laat afgestudeerd en daarnaast ben ik altijd een beetje zoekende geweest. Ik had een globaal idee van wat ik zou willen doen, maar ik heb van alles en nog wat gedaan. Het ging er met name om dat ik geld had, hoewel ik altijd graag iets wilde doen wat ik interessant vond. Ik heb altijd gezocht naar iets waarvan ik kon leren. Soms volg je ook maar gewoon wat je wordt aangereikt. Zo’n 5 tot 6 jaar geleden was het aantal vacatures niet zo groot en dan is het een kwestie van solliciteren.

Tegenwoordig ben je fractiemedewerker Financiën van de SP. Wat maakt de SP tot jouw partij?

De SP staat tussen de mensen. Ik was nog geen lid van de SP toen ik bij de GSb zat, dat gebeurde in 2014. Bij de SP ervoer ik een niet zuiver theoretische invulling van wat een politieke partij zou moeten doen. Het is een partij die zich veel meer richt op wat mensen willen – dat wordt ‘massalijn’ genoemd – en het is belangrijk dat je ideeën niet zomaar uit een boekje haalt maar die ook aan de deur toetst. ‘Buurten in de buurt’ noemen we dat. We gaan de deuren bij langs om na te gaan wat mensen te zeggen hebben over wat je lokaal of landelijk doet. Dat heb ik altijd erg charmant gevonden aan de SP.

Wat zou je de GSb van vandaag de dag willen meegeven?

Over de actualiteit kan ik natuurlijk niet oordelen, maar ik vind het heel belangrijk dat de GSb de studenten opzoekt. Dat betekent dat je niet alleen kijkt wat er onder hen speelt maar ook dat je met hen bespreekt wat je als studentenbond voor ogen hebt. Je moet hen duidelijk maken dat je er niet alleen bent om, voorbeeld van toen, zetels voor de Universiteitsraad te halen, maar dat je ook op zoek bent naar wat zij vinden. De studenten zijn niet alleen burgers voor je. De bestuurders zijn natuurlijk relevant – zij nemen de beslissingen – maar het zijn de studenten waarvoor je het allemaal doet. Het is belangrijk om niet alleen te kijken naar wat haalbaar is, maar ook naar wat ideaal is.

Christiaan Brinkhuis