Als de Nederlandse student iets vindt van het onderwijsbeleid in ons land kan hij niet bij één, maar bij twee belangenbehartigers voor studenten terecht. De minister van Onderwijs luistert pro forma naar zowel het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) als de Landelijke Studentenvakbond (LSVb). Van een yin en yang, twee aanvullende krachten die het studentenuniversum vormen, is echter geen sprake. Waarom hebben de universiteiten en hogescholen, de belangrijkste tegenstrevers aan de bestuurlijk-politieke onderhandelingstafel, elk één belangenorganisatie en de studenten er twee? Voor het antwoord daarop moeten we terug naar de Koude Oorlog.

Bij de Koude Oorlog denken we al gauw aan het con ict dat na de Tweede Wereldoorlog ontstond en waarbij de kapitalistische Verenigde Staten en de communistische Sovjet-Unie tegenover elkaar stonden. Beide grootmachten waren elkaars tegenspelers in ideologische zin. Het verlies van de één was de winst van de ander, dus op allerlei manieren probeerden ze hun invloedssferen te vergroten. Maar op de momenten dat de vlam in de pan zou slaan hadden de machthebbers in het Witte Huis en het Kremlin genoeg realiteitszin om elkaar tegemoet te treden en een atoomoorlog te voorkomen. Dat zou immers het einde van de mensheid betekenen.

Waarom hebben de universiteiten en hogescholen, de belangrijkste tegenstrevers aan de bestuurlijk- politieke onderhandelingstafel, elk één belangenorganisatie en de studenten er twee?

De Koude Oorlog mag inmiddels al ruim een kwart eeuw achter ons liggen, in eigen land is er nog steeds een Koude Oorlog gaande. Deze oorlog wordt niet te vuur en te zwaard uitgevochten maar in de achterkamertjes en in de media. De twee tegenpolen zijn aan de ene kant het ISO en aan de andere kant de LSVb. Van vroeger uit zou het ISO rechts zijn en de LSVb links. Het zou in ieder geval de merkkleuren van de organisaties verklaren – het ISO tooit zich met blauw terwijl de LSVb zich steevast met rood uitdrukt. Nog altijd wordt in de politiek de kleur blauw met rechtse partijen in verband gebracht en zijn de rode rakkers aan de linkerkant van het politieke spectrum te vinden.

De LSVb lijkt ergens wel wat op de voormalige Sovjet- Unie, als we de parallel van de Koude Oorlog nog even doortrekken. De studentenvakbond is formeel een federatie, net zoals de Sovjet-Unie van weleer dat was. De federatie wordt gevormd door lokale studentenbonden in een paar steden, waaronder onze eigen Groninger Studentenbond (GSb). Een paar keer per jaar worden afgevaardigden van alle lidorganisaties naar Moskou – excuus, Utrecht – geroepen om te beraadslagen over de gang van zaken. Bij deze tweemaandelijkse Opperste Sovjet – sorry, Algemene Ledenvergadering – wordt namelijk het algemene beleid besproken. De vertegenwoordigers van de aangesloten sovjetrepublieken – pardon, studentenbonden – hebben dan de kans om, althans voor de bühne, van zich te laten horen. Het Presidium van de Opperste Sovjet – oh ja, het bestuur van de LSVb natuurlijk – moet dan rekenschap a eggen over wat er allemaal gaande is. “Zij dronken een glas, deden een plas en alles bleef zoals het was,” zo zou je de gemiddelde ALV van de LSVb kunnen samenvatten. Daarna vertrekt men naar het Kremlin aan de Drieharingstraat om het hele spektakel nog eens te bespreken. Voor de auteur was de naborrel steevast het hoogtepunt van het studentenbondgenootschappelijk onderonsje in de Domstad.

‘Zij dronken een glas, deden een plas en alles bleef zoals het was,’ zo zou je de gemiddelde ALV van de LSVb kunnen samenvatten

Het ISO zou in onze analogie dan de Verenigde Staten moeten zijn. Wie een kijkje neemt op de websites van onze nationale studentenorganisaties ziet een enorm verschil in achterban: 35 organisaties en allerhande raden bij het ISO en slechts 9 bij de LSVb. Daarbij moeten we de mantelorganisaties van het ISO en de LSVb zelf ook niet vergeten. Het strijdtoneel heeft zich verplaatst naar de medezeggenschapsraden, waar de LSVb door middel van het Landelijk Overleg Fracties (LOF) voor universiteiten en het Studenten Overleg Medezeggenschap (SOM) voor hogescholen de studentenpolitici aan zich tracht te binden. In de Koude Oorlog was het ook zo dat de Verenigde Staten een fors groter aantal landen aan zich wist te binden waar de Sovjet-Unie (of haar valse communistische zuster China) maar mondjesmaat tegenop kon concurreren. Waar een machtsvacuüm ontstond of dreigde te ontstaan, boksten Oost en West tegen elkaar op. Dat deden Washington en Moskou vaak niet zelf, maar ze steunden de regering van een bepaald Zuid- Amerikaans of Afrikaans land óf juist de oppositie aldaar.

Uiteindelijk zou Oost de strategische wedloop verliezen. De communistische wereld onder aanvoering van Moskou verloor de Koude Oorlog doordat het te lang vasthield aan een verouderde manier van werken. Hetzelfde kunnen we zeggen van de LSVb. De studentenvakbond is altijd al sneller geneigd geweest om naar de megafoon te grijpen en een of andere kneuterige ‘ludieke actie’ op poten te zetten dan het ISO. Het is een gedateerd concept uit een tijd waarin het overlegsysteem, sinds 1982 bekend als het poldermodel, nog niet bestond. Demonstreren en je stem luidkeels laten horen waren in de jaren ‘60, ‘70 en ‘80, toen de studentenbeweging haar radicale hoogtepunten kende, dé manier om wat in de politieke melk te brokkelen te hebben. Tot nu toe lijkt de LSVb, anders dan een substantieel deel van haar lidorganisaties, maar geen afscheid te willen nemen van deze werkwijze. De LSVb en haar lokale studentenbonden communiceren op verschillende gol engtes.

En het ISO? Die lacht de LSVb vierkant uit. Wie het publiek bij de gemiddelde demonstratie op het Malieveld gadeslaat ziet, naast een groep door de LSVb opgetrommelde studenten, meer dan eens SP’ers, communisten en andere obscure, (extreem-) linkse actiegroepjes die nietszeggende leuzen brallen. Die demonstreren daar heus niet voor de zaak van de studenten. Zij grijpen elke manifestatie aan om altijd tégen iets te schreeuwen wat ze op wat voor manier dan ook verbinden aan het kapitalisme.

Veeleer kunnen ze niet mét en niet zónder elkaar. Een haat- liefdeverhouding typeert het ISO en de LSVb onderling

En toch, van echte haat tussen ISO en LSVb kunnen we (gelukkig) niet spreken. Onbegrip en het langs elkaar praten lijken meer op hun plaats. Maar áls de nood aan de man is weten de beide belangenbehartigers elkaar te vinden om een gezamenlijke vuist te maken naar Den Haag. Washington en Moskou bleken ook altijd een oplossing te vinden voor de problemen die de wereldvrede zo nu en dan bedreigden. Van liefde is hier dan ook evenmin sprake. Veeleer kunnen ze niet mét en niet zónder elkaar. Een haat-liefdeverhouding typeert het ISO en de LSVb onderling.

Er valt heel veel voor te zeggen om de oude tegenstellingen terzijde te leggen en een vergaande samenwerking aan te gaan. Voor de betrokken student is het totaal niet uit te leggen waarom twee nationale belangenbehartigers voor studenten met elkaar concurreren om de gunst van… ja, wie eigenlijk? Ze willen allebei het beste voor studenten. ‘Verdeel en heers,’ zal minister Bussemaker aan haar opvolgster Van Engelshoven hebben meegegeven. Wanneer zal de minister tegenover één grote, ijzersterke studentenorganisatie dat adagium naar de prullenbak moeten verwijzen?

Christiaan Brinkhuis