Weer bij je ouders gaan wonen klinkt voor veel studenten als een regelrechte nachtmerrie. Toch zegde ik per 1 april 2019 de huur op en ging ik, geheel vrijwillig, weer bij mijn ouders in Zwolle wonen. Hier had ik verschillende redenen voor, en in deze nieuwe rubriek vertel ik jullie graag over deze redenen (en mijn ervaringen natuurlijk).

Ik merkte eigenlijk al vanaf mijn tweede studiejaar (inmiddels ben ik vierdejaars) dat ik vaak weer naar thuisthuis ging als ik hiertoe de mogelijkheid had. Bijvoorbeeld op een donderdagavond, wanneer ik vaak geen verplichtingen of afspraken meer had in Groningen. Zo kon ik mijn vriend, die ik alleen in het weekend zag, wat eerder zien. In mijn derde jaar zette ik mijn weekend-OV om naar een week-OV, en toen kwamen er alleen nog maar meer dagen dat ik eerder in de week al naar Zwolle ging.

Omdat mijn vriend en ik steeds serieuzere plannen kregen over samenwonen, begon mijn kamer langzamerhand steeds minder als thuis te voelen. Mijn gemoedstoestand veranderende een beetje in dat liedje van de Ikea-reclame (Home is whenever I’m with you) en mijn kamer voelde steeds meer als een tussenstation. Een plek waar je wacht op je volgende bestemming, maar niet per se een plek waar je lang wilt blijven.

Ik had het al vaker met mijn ouders gehad over het idee om mijn kamer op te zeggen. Zo kon ik mijn lening stopzetten en meer sparen. In het begin klonk dat idee echter niet heel aanlokkelijk. Dat betekende namelijk dat het ‘echte studentenleven’ wel afgelopen was. Niet meer ‘s avonds naar een borrel of een feestje, minder contact met de mensen die ik in Groningen had leren kennen. Het klonk allemaal niet zo geweldig. Toch hakte ik eind januari 2019 de knoop door. Mijn huis voelde steeds minder als thuis, en dus wilde ik weg.

En op 29 maart 2019 was de grote dag er dan eindelijk: het terugverhuizen naar het oude nest. En daar kwam toch meer bij kijken dan ik van tevoren dacht. Wanneer je er qua ruimte ongeveer vier vierkante meter op achteruit gaat, weet je namelijk dat je heel kritisch en selectief moet gaan kijken naar welke spullen je wel of niet wilt bewaren. In Groningen had ik echt een lieflijk roze kamer. Een, jawel, bloemetjesgordijn, roze kandelaren, overal gezellige kussentjes en nog meer zoetsappige tierelantijntjes. Die spullen een plekje geven zou lastig worden: mijn kamer in Zwolle is namelijk lila (veroordeel me alsjeblieft niet, ik was 12 toen deze verf op de muur kwam). Ze bewaren tot de volgende verhuizing leek mij ook niet de moeite. Mijn vriend is niet vies van een beetje roze, maar roze kandelaren, theelichthouders, lampenkappen, spreien, kussens, mokken, en ga zo nog maar even door, dat werd hem iets teveel van het goede. Maar mijn poederroze decoratiespullen naar de kringloop brengen, dat deed toch wel een beetje pijn. Niet per se omdat ik zelf nou zo’n groot liefhebber ben van poederroze, maar vooral omdat ik maar zo kort van deze spullen heb kunnen ‘genieten’. Daar heb ik nooit zo bij stilgestaan toen ik spullen voor mijn kamer kocht. Tuurlijk moet je je kamer inrichten op een manier die je zelf leuk vindt, maar achteraf had ik misschien wat kritischer moeten kijken naar welke spullen ik ook écht wilde bewaren voor een langere termijn. Nu doet het namelijk pijn om afstand te nemen van spullen waar ik voor mijn gevoel maar even van hebt genoten. 


Wasmand of shame

Op kamers wonen voelt vaak een beetje als een proces van vallen en opstaan. Zeker in het begin, wanneer je nog niet echt je ritme gevonden hebt. Maar zelfs voor de meer ervaren studenten zullen er altijd dingen blijven die je stelselmatig uitstelt. Bij mij was dit het leeghalen van de wasmanden (ja, ik had er meerdere). Ik had er ooit een heel handig systeem voor bedacht: een bruine, houten wasmand voor de donkere was, een witte voor de lichte. Maar toen ik in een nog wat kleinere kamer woonde, heb ik dit systeem onbewust verstoord. Het zat zo: ik had, zoals je eerder kon lezen, allemaal gezellige kussentjes op mijn bed staan, maar ja, die liggen natuurlijk een beetje in de weg bij het slapen. Dus ik gooide ze altijd op de grond, waar ze vervolgens weken bleven liggen (en zich door de hele kamer verspreidden). Ik besloot om die reden een grote mand te kopen waar ik alle kussens voortaan ingooide, zo lagen ze namelijk niet teveel in de weg. Toen ik na een jaar echter naar een grotere kamer verhuisde, had ik een nieuwe bestemming voor mijn gezellige kussentjes: de bank. Gevolg: de kussentjesmand werd omgedoopt tot derde wasmand/zooi-waarvan-ik-geen-zin-heb-om-het-op-te-ruimen-mand. En zo stapelde de was zich steeds verder op.

De was doen is iets dat ik gedurende de periode dat ik op kamers woonde, nooit helemaal in mijn systeem heb gekregen. Als ik de was wilde doen, was dit vaak zo rond het einde van de week. Donderdagavond of vrijdagmiddag, ongeveer. En dan stond ik vaak toch al op het punt om weer naar thuisthuis te gaan, waardoor ik het besloot mee te nemen. Dan griste ik in de haast vaak de hoogstnoodzakelijke dingen uit de wasmand. Ondertussen leek het alsof mijn sokkenvoorraad met de week kleiner werd (lees: ze verdwenen naar de bodem van de wasmand). En dus plunderde ik de voorraad van mijn vriend en mijn moeder of kocht ik nieuwe.

Ik zag elke keer wel in mijn ooghoeken de wasmanden steeds meer uitpuilen. Maar met mijn selectieve geheugen ‘vergat’ ik elke keer om die wasmanden eens even goed leeg te halen. Maar toen de dag van de verhuizing eenmaal daar was, wist ik: er is geen ontkomen meer aan. Op het moment ik weer voorgoed in Zwolle was gearriveerd, heb ik ze allemaal leeggegooid. En dáár kwamen ‘ineens’ al mijn sokken tevoorschijn. Met een steeds roder wordend hoofd pakte ik de ene na de andere sok uit de wasmand. De eindstand op zondagavond: Ik was 30 paar sokken ‘rijker’. Oef, dat deed mijn groene hart even zeer. Maar goed, inmiddels hoef ik nooit meer bang te zijn dat ik te weinig sokken heb.

Een ander item waar ik ineens veel meer van bleek te hebben dan ik dacht, waren handdoeken. Ook hierin heeft het uitstellen van de wasmand leeghalen een groot aandeel gehad. Ik dacht altijd dat ik niet super veel handdoeken had, precies genoeg voor ongeveer een persoon die wel eens iemand te logeren had. Maar toen alle handdoeken gewassen waren, pasten ze bijna niet meer in de bedlade van mijn Hemnes uitschuifbed, en geloof me, die is groot. Inmiddels heb ik dus zoveel handdoeken dat ik een hotel kan beginnen. Maar goed, handdoeken zijn over het algemeen een investering waar je langere tijd wat aan hebt. Dus ik heb nu ook genoeg handdoeken voor mijn toekomstige vijf kinderen, ook al wil ik er maar twee…

Iets dat gelijk al even wennen was aan die eerste paar dagen weer thuis, is dat ik merkte dat ik niet even snel naar de supermarkt kon gaan om wat snacks te halen zoals een zak chips of een reep chocola. Of ja het kán natuurlijk wel, maar niet echt zonder dat je ouders hier ongevraagd commentaar op geven. Ik zie het mezelf nog niet doen: “Hey mam, ik ga even een zak chips halen bij de supermarkt”. Ik zie haar vragende en veroordelende blik nu al voor me, want “het is toch nog pas dinsdag? In het weekend hebben we weer chips!” Overigens haalde ik op doordeweekse dagen niet heel vaak chips of iets dergelijks, omdat het allemaal iets te snel op ging.

Je krijgt voor dit kleine stukje vrijheid dat je moet inleveren trouwens wel weer iets terug: er lijkt een oneindig aanbod te zijn van koekjes, en ook nog eens verschillende soorten koekjes. En nog iets moois, ik kan mijn brood met meer dan slechts twee dingen beleggen. En mensen, er is een vaatwasser! Een luxe waar ik al even niet meer aan gewend was. Al is het wel irritant dat veel pannen blijkbaar niet in de vaatwasser kunnen, de vervelendste dingen om af te wassen. Vaak zijn dit ook nog eens de duurste die we hebben. Waarom zijn ze dan eigenlijk zo duur? Een beetje pan moet toch tegen de vaatwasser kunnen? Blijkbaar niet… 

Iets dat ik nu trouwens echt onder de knie hoop te krijgen, is ochtendmens worden. Mijn ouders staan altijd vroeg op vanwege hun werk, en zetten dan op de eettafel ook gelijk een bordje voor mij klaar. Dan is het handiger om gewoon gelijk om 7 uur ‘s ochtends uit bed te stappen. Ik kan je vertellen: het is heerlijk! Je haalt zoveel meer uit je dag als je een beetje vroeg opstaat. 

Het heen en weer reizen

Woensdag 3 april was de eerste dag na mijn verhuizing waarop ik weer naar Groningen moest. Voor rijles en een vergadering. En dus had ik mijn eerste ervaring met “het heen en weer reizen”. Hoewel ik in het weekend dus al vaak weer bij mijn ouders te vinden was, was het die woensdag toch een beetje wennen. In mijn hoofd dacht ik de hele tijd: Ik ga dinsdagavond wel vast naar Groningen, en bedacht me meteen daarna dat ik natuurlijk helemaal geen slaapplek meer in Groningen heb. Even omschakelen dus, want je verliest die ochtend door het reizen dus een kostbaar uur van je tijd (ik heb meerdere pogingen gedaan om te studeren in de trein, het lukt alleen als ik een opdracht die ik de hele tijd heb uitgesteld een paar uur later moet inleveren). Tegelijkertijd is reizen met de trein ook rustgevend. Meestal zit ik in de stiltecoupé, dan kan ik in alle rust even uit het raam kijken en goed wakker worden. Daarnaast neem ik ook vaak de sprinter, het duurt ietsje langer, maar die treinen zijn vaak veel minder druk. 

In die paar dagen dat ik weer in Zwolle woon, ben ik dus al tegen het een en ander aangelopen. Toch heb ik er tot nu toe geen spijt van. Met de vele spullen die nog uitgepakt en uitgezocht moeten worden, zal het nog even duren voordat mijn kamer echt weer ‘mijn plekje is’. Maar ik heb me al sinds zeer lange tijd niet meer zo ontspannen gevoeld. Mijn laatste oproep aan studenten die op kamers wonen: Haal die wasmand leeg, vandaag nog! Zorg dat die wasmachine overuren draait. Je zult jezelf er later dankbaar voor zijn (en onnodige aankopen voorkomen). 

Simone Broekman