Wie op een doordeweekse namiddag in september door de Binnenstad wandelt kan nog wel eens op een constitutieborrel stuiten. In pak of jurk gestoken studenten staan met een biertje, wijntje of watertje buiten een kroeg of sociëteit met elkaar te praten over alles wat in hun hoofd omgaat. Laat me voor de niet-ingewijdene in grote lijnen schetsen wat een ‘consti’, zoals dat in studentbestuurlijk jargon heet, in de praktijk inhoudt. Als het bestuur of de fractie van een studentenorganisatie of -partij na een jaar wisselt, is het de ongeschreven regel dat je dat viert met de besturen en fracties van andere organisaties. De installatie van een nieuwe club mensen die aan het hoofd komt te staan heet van oudsher een constitutie, dus vandaar een constitutieborrel. Een heel traject wordt vervolgens in werking gezet. De bestuurskleding moet worden uitgezocht – al dan niet met penning, speldje of andere prullaria – foto’s worden gemaakt, een locatie, datum en tijd worden uitgezocht, uitnodigingen worden per mail en later nog per post opgestuurd en dan is het aftellen tot de grote dag.

De top van de Groningse studentengemeenschap ontmoet elkaar op gelijke voet, waarbij de grootte, ouderdom of status van de organisaties voor een paar uur even aan de kant wordt gezet

Naar goed gebruik koopt het bestuur dat de consti houdt een of meerdere fusten af – afhankelijk van het budget – om de gasten zo lang mogelijk van alcohol en andere vloeistoffen te kunnen voorzien. Het is niet verwonderlijk dat een dergelijke gelegenheid altijd veel bekijks heeft. De gasten komen opdraven in hun eigen bestuurskleding en melden zich netjes aan bij de pedellen. Dat zijn een aantal studenten, meestal mannen, die ter plekke de administratie van de genodigden bijhouden en met veel stemgeluid de volgende gasten omroepen. Wie is omgeroepen treedt naar voren en vormt een kring met de gastheer. De gast vertelt een verhaaltje aan de gastheer en overhandigt een cadeau. De gastheer bedankt de gast voor diens aanwezigheid en benadrukt de goede, al dan niet denkbeeldige, betrekkingen die beide organisaties met elkaar onderhouden. Er volgen individuele felicitaties en de gasten trekken zich terug naar de bar om nog zoveel mogelijk alcohol achter de kiezen te krijgen. Onderwijl wordt er nog een leuke boodschap in het gastenboek geschreven. Een staatsbanket onder studenten, zo zou je het kunnen omschrijven.
Dit was een beknopte schets van hoe het voor de gemiddelde studentbestuurder eraan toe gaat aan het begin (en einde) van zijn of haar bestuursjaar. In de drie bestuursjaren die ik er bijna op heb zitten heb ik naar schatting zo’n 200 consti’s bezocht – een gemiddelde van ruim 60 per jaar. De Groninger Studentenbond (GSb) en het Centraal Uitvoeringsorgaan voor de Studentenorganisaties (CUOS) blijken nu eenmaal organisaties te zijn waarvan andere studentbestuurders het van belang vinden om daarmee warme banden te onderhouden. En elke consti is er weer een op zichzelf. Het mooie van zo’n borrel is altijd weer dat je mensen van allerlei verschillende studieachtergronden bij elkaar hebt. Je leert heel veel mensen kennen en er komen vaak genoeg vriendschappen en ook relaties uit voort. De top van de Groningse studentengemeenschap ontmoet elkaar op gelijke voet, waarbij de grootte, ouderdom of status van de organisaties voor een paar uur even aan de kant wordt gezet.

Het is aan de bestuurders van al die organisaties om die verscheidenheid in stand te houden, zodat de volgende generatie studenten net zoveel keuzevrijheid heeft als hun voorgangers

Het voordeel van meerdere bestuursjaren is dat je zaken in tijdsperspectief kunt plaatsen, wat natuurlijk ook de kern is van mijn ambacht van historicus. In de afgelopen jaren is het duidelijk geworden dat het voor veel bestuurders een hele opgave is gebleken om opvolgers te kunnen vinden aan wie ze het stokje kunnen overdragen. Dit is een groter probleem dan het zo op het oog lijkt. Bestuurders dragen de verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van hun organisatie, of dat nou een gezelligheids-, sport-, studie-, culturele of belangenvereniging is. Het lidmaatschap van een dergelijke vereniging is in meer of mindere mate bepalend voor je ontwikkeling en identiteit, die tijdens je studententijd nog vormgegeven moeten worden. Groningen kent al decennia een bloeiend studentenleven dat voor een belangrijk deel wordt gedragen door de pakweg 150 studentenorganisaties. Zij maken het mogelijk dat je je ook buiten de collegebanken opgevangen voelt in sociale structuren die gevormd worden door leeftijdsgenoten die dezelfde interesses hebben. Er is voor ieder wat wils. Het is aan de bestuurders van al die organisaties om die verscheidenheid in stand te houden, zodat de volgende generatie studenten net zoveel keuzevrijheid heeft als hun voorgangers.
Vrij naar CDA-leider Sybrand Buma: “Voor een studentengemeenschap die we door willen geven.” Het lijkt er dus op dat de bereidheid om aan deze leus gestalte te geven de afgelopen jaren minder is geworden. In mijn ogen zijn er twee oorzaken aan te wijzen voor dit verschijnsel. De eerste is de invoering van het leenstelsel vanaf collegejaar 2015-2016. De afschaffing van de basisbeurs zorgde er meteen voor dat de toelage die een student van de overheid ontvangt minder groot is geworden. Van een armoedeval van de afgelopen lichtingen studenten is niet meteen sprake, maar het heeft wel gevolgen gehad voor de manier waarop een student zijn of haar bestaanszekerheid wil veiligstellen. Sommigen zijn (meer) gaan lenen en zagen hun studieschuld exploderen. Anderen hebben een bijbaantje genomen of zijn in hun bestaande baantje meer uren gaan werken. In ieder geval is de neiging toegenomen om niet of weinig van je studieprogramma af te wijken. Nominaal moet normaal worden. Als je meer tijd en energie in studie en (betaald) werk steekt blijft er noodzakelijkerwijs minder over voor extracurriculaire activiteiten als een commissie, een fractie of een bestuur. Dergelijke activiteiten geven je vaardigheden mee die je niet in je studie krijgt aangeleerd maar die wél van groot belang zijn voor je culturele bagage. Als bestuurder heb je bijvoorbeeld altijd verschillende belangen die je tegen elkaar moet afwegen om tot een gedegen keuze voor een besluit te komen. Hoe je die keuze maakt staat nooit van tevoren vast, maar voortschrijdend inzicht gedurende het jaar helpt je erbij.

De Groningse studentengemeenschap heeft dus een cruciale vraag te beantwoorden: hoe houden we onszelf in stand?

De andere oorzaak is de internationalisering van de studentenwereld. Internationalisering is een containerbegrip waar heel wat definities en interpretaties aan worden gegeven. In deze context beschouw ik het als een uitbreiding van de Nederlandse studentenpopulatie met niet-Nederlandse studenten. Studenten van over de grens volgen colleges met hun Nederlandse evenknieën. Opleidingen, faculteiten en instituten passen hun (taal)beleid daar met vallen en opstaan nog wel op aan, maar buiten de muren van de collegezaal is het een heel ander verhaal. Het grootste deel van de studentenorganisaties is nog altijd niet voorbereid op de aanwas van buitenlandse studenten. Een gedeelte – vooral studieverenigingen – is rigoureus Engelstalig of tweetalig geworden terwijl een ander gedeelte – vooral gezelligheidsverenigingen – geen inspanningen lijkt te willen verrichten om de deuren te openen voor zij die niet van Nederlandse bodem komen. Of en hoe een organisatie moet ‘internationaliseren’ (wat het dan ook precies mag omvatten) laat ik hier in het midden. Het is echter wel zo dat de buitenlandse student naar een Nederlandse universiteit komt om daar te studeren. Extracurriculaire activiteiten zijn aan hem of haar minder besteed dan aan Nederlandse studenten. Dat is niet alleen te wijten aan de taalbarrière – in je moedertaal communiceren verloopt toch wat vlotter dan geforceerd Engels – maar ook aan de culturele verschillen. Als het aantal niet-Nederlanders in de gelederen van studentenorganisaties toeneemt, zonder dat dit gelijke tred houdt met hun betrokkenheid in commissies, fracties en besturen, zijn dergelijke gremia niet langer representatief voor hun achterban. Nu al hebben buitenlandse studenten hun eigen organisaties opgericht langs etnisch-nationale lijnen. De sociale cohesie van de studentengemeenschap komt daardoor onder druk te staan. Aan al die studentbestuurders de taak om ‘de boel bij elkaar te houden’.
De Groningse studentengemeenschap heeft dus een cruciale vraag te beantwoorden: hoe houden we onszelf in stand? De studentenpartijen in de medezeggenschapsraden van de RUG en de Hanze hebben deze zorg te vertolken bij de bestuurders van de betreffende onderwijsinstellingen. Maar ook daarbuiten zijn er tal van belangenbehartigers, koepelorganisaties en vergadertafels waar deze kwestie niet onbesproken mag blijven. Als er namelijk iets is waar Groningen al lange tijd om bekend staat, dan is het wel het ‘zelfbeschikkingsrecht’ van de studentenwereld. Studenten bepalen hoe ze hun boontjes doppen. Regeren is vooruitzien. Wie pakt de handschoen als eerste op?
Christiaan Brinkhuis