Ik zat laatst in de trein en toen gebeurde er iets…

Ik heb heel vaak voor de grap gezegd dat als ik ooit in de trein zou zitten vlakbij een man die zichzelf aan het aftrekken is, ik het zou filmen en het op internet zou zetten, of hem gewoon keihard zou uitlachen. Maar toen het me laatst echt overkwam, terwijl ik ‘s middags op een doordeweekse dag op weg was naar een lezing in Den Haag, reageerde ik toch wel iets anders.

Ik keek toevallig naar een man die in een tweezits aan de andere kant van het gangpad zat, en het viel me ineens op dat zijn broek wel erg los zat. Wacht even, het lijkt wel alsof… het duurde een paar seconden voordat ik doorhad dat ik ook echt zag wat ik dacht te zien. ‘Bah, weg hier’ dacht ik bij mezelf terwijl ik snel m’n tas pakte, het trapje afliep en in de coupé beneden ging zitten. Ik zat voor mijn gevoel nog maar net in de andere coupé voordat dezelfde smeerlap vanaf de andere kant de coupé instapte. ‘Ga alsjeblieft niet naast me zitten, ga alsjeblieft niet naast me zitten’, dacht ik. Maar gelukkig nam hij plaats op een stoel waardoor ik hem niet meer goed kon zien. Ik keek op het schermpje achter me, we waren binnen een paar minuten op het eindstation en ik verkeerde in angst. Wat als hij nu toch ineens naast me komt zitten? Ik wilde weer wegrennen, maar zag dat er genoeg mensen om me heen zaten, waardoor ik het idee had dat ik veilig was. Ik appte mijn vriend, of hij me alsjeblieft wilde bellen zodra hij dit las, maar dat hij zich geen zorgen moest maken omdat er niks ergs aan de hand was. Mijn hart bonkte in mijn keel en ik stond op het punt om in tranen uit te barsten.

De trein naderde de eindbestemming, ik wilde niet de eerste zijn die op zou staan, maar ook niet de laatste, ik wilde niet de kans lopen dat hij direct achter me zou staan. Ik moest opstaan nadat de eerste mensen waren opgestaan, daar moest ik tussendoor glippen.

De trein stopte in Den Haag, ik stond al helemaal vooraan bij de deur en keek nog even over mijn schouder. Hij staat toch niet achter me? Of ergens anders vlakbij me? Toen de deuren open gingen haastte ik me naar buiten. ‘WEG, WEG, WEG’, dacht ik. Zo snel mogelijk naar de uitcheckpoortjes. Zo snel mogelijk naar de piano waar ik met de andere bezoekers van de lezing had afgesproken. Mijn adem werd steeds zwaarder, m’n ogen steeds wateriger. De piano was in zicht, ik liep er gehaast naar toe en ging erachter staan alsof het een soort beschermend schild was. De jongen en het meisje die er toevallig ook stonden, keken me wat vragend aan. ‘Wat is er met haar aan de hand?’, zag ik ze denken. Groot gelijk, ik stond daar zowat te hyperventileren en de tranen liepen me nog net niet over m’n wangen. Toen ik om me heen keek, zag ik al vrij snel iemand op het station staan die ik kende: ‘Yes, snel naar haar toegaan!’, dacht ik bij mezelf. Ze vertelde me dat ze in de trein ineens heel misselijk was geworden, en dat ze nog niet zeker wist of ze mee kon. ‘Moet ik een flesje water voor je halen?’, vroeg ik, maar ik wilde eigenlijk maar een ding: zo snel mogelijk m’n vriend appen. Ik wilde wel vertellen wat me net was overkomen, maar zou het dan niet overkomen alsof ik haar misselijkheid probeerde te overtreffen met mijn eigen narigheid? Alsof ik tussen neus en lippen door wilde zeggen ‘mij is nog iets veel vervelenders overkomen.’ En wat als ik dan zou beginnen met huilen, en ze zou vinden dat ik me aanstelde? Het voelde voor mij op dat moment alsof iedereen op het station tegen me zei: ‘Meid, stel je niet zo aan, hij deed toch verder niks? Hij heeft je niet eens aangeraakt.’

Eenmaal bij de lezing stond ik nog steeds op het punt om in huilen uit te barsten, ik was helemaal uit m’n doen. Straks moest ik dat hele stuk met de trein weer terug. Straks zat er dan weer zo’n viezerik. Hoe vaak zou zoiets gebeurd zijn zonder dat ik het door heb gehad? Ik overwoog om naar mijn zus in Zeist te gaan. Dan hoefde minder lang te reizen, dan zou de kans kleiner zijn dat ik weer iemand zie die… Ik zag al voor me hoe ik huilend op de bank zat bij m’n zus.

Toen ik een paar uur later weer op Den Haag Centraal was, bonkte m’n hart weer in mijn keel. Ik was bang: straks is die man er weer. En tuurlijk wist ik dat mannen die zoiets doen het vooral doen voor de kick, en, hoe smerig en vernederend hun daad ook is, niet overgaan tot verdere actie, en gewoon weer verder gaan met hun dag. Maar toch was ik op mijn hoede. Als ik hem weer ergens zag, zou ik rennen voor m’n leven. De trein die ik moest hebben stond al klaar. ‘Zoveel mogelijk naar achteren lopen, gaan zitten in het achterste treinstel, de meeste mensen nemen die moeite niet’, dacht ik bij mezelf. Eenmaal in de trein ging ik in een vierzits zitten, zo zou ik nooit de enige zijn die hem kon zien. Bij iedereen die de coupé instapte, keek ik geschrokken omhoog: ‘wat als…’

Hij had zwart haar en een zwarte broek. Op een gegeven moment zag ik vanuit het raam iemand met een zwarte broek over het perron lopen. ‘NEE ALSJEBLIEFT NIET. Rustig Simone, het is vast toevallig een andere man met een zwarte broek. MAAR WAT ALS’. Ik begon weer zwaarder te ademen. Als hij maar niet hier in zou stappen.

De coupé werd steeds voller en ik voelde me steeds veiliger. Mij kon hij niet meer lastigvallen nu. Maar ik bleef alert. Elke man die bij me in de buurt zat, hield ik scherp in de gaten. Als je het maar laat, smeerlap. Ik wilde dat mijn terugreis zo snel mogelijk voorbij was. Als ik maar zo snel mogelijk weer in Zwolle bij m’n ouders was, veilig. Moest ik het m’n ouders vertellen? En wat als ik dan begon te huilen en ze vonden dat ik me aanstelde? ‘Want hij heeft je toch niet aangeraakt, of écht lastig gevallen?’

Ik was zelf ook verbaasd over hoe aangeslagen ik was. Ik had nooit verwacht dat ik er zo overstuur van zou raken. Voordat dit me was overkomen dacht ik dat ik wel het lef zou hebben om het te filmen, de man keihard uit te lachen of hem op een andere manier de ogen uit zijn kop te laten schamen. Dat zo’n rukkende viespeuk mij niet gek zou weten te krijgen. Maar het tegendeel was waar. Zeker toen het bleek dat hij het echt op mij gemunt had, toen hij ook naar de andere coupé was verplaatst. Het was een van de meest beangstigende momenten van mijn leven.

Maar wat misschien nog wel erger is, is dat vrijwel alle vrouwen op een soortgelijke manier in aanraking zijn gekomen met seksuele intimidatie, en een deel van de vrouwen zelfs met aanranding, of allebei. Er zijn maar heel weinig, misschien wel helemaal geen vrouwen die nog nooit op een bepaalde manier met ongepast seksueel gedrag of seksuele intimidatie te maken hebben gehad. En hoewel sommige vrouwen misschien wel het lef hebben om de man in kwestie zelf net zo erg te terug vernederen, denk ik dat veel vrouwen zich net als ik geen raad zouden weten. Zou mijn heftige reactie overdreven zijn? Zou hij mij bewust uitgezocht hebben? Is mijn reactie precies datgene dat hij wilde uitlokken? Kickte hij op mijn angst? Lachte hij van binnen, toen hij mijn gezicht zag verstijven op het moment dat hij weer opdook nadat ik in een nieuwe coupé was gaan zitten? Genoot hij toen ik angstig om me heen keek of het eindstation al bijna bereikt hadden?

Ik wilde dit artikel afsluiten met de raad: laten we het lef bijeen rapen om deze mannen eens even flink te kakken te zetten. Maar dat is natuurlijk een beetje hypocriet, aangezien ik dit lef zelf ook niet had. Bovendien houden we op deze manier het patriarchaat alleen maar in stand. Vrouwen moeten zich niet leren aanpassen aan van die smerige rukkende mannen, dit soort mannen moeten gewoon leren dat dit abnormaal gedrag is. Hou die lul in je broek en stop met het lastigvallen van onschuldige vrouwen.

Och lieve mensen, ik ben bang dat we er nog lang niet zijn, maar laten we de moed erin houden, omdat dat soms het enige is dat uitzicht biedt.

Simone Broekman