Uit het Strategisch Plan van de Rijksuniversiteit Groningen 2015-2020:

“Omdat de Rijksuniversiteit Groningen een internationale universiteit is, bestaat er behoefte aan een internationaal onderwijsaanbod. Ook moet er een academische en sociale omgeving zijn waarin culturele verschillen tussen medewerkers en studenten iedereen kansen bieden om van elkaar te leren.” (pagina 11)

Een paar pagina’s verder:

“We zullen ook meer internationale studenten en medewerkers werven om de benodigde internationale context te creëren.” (pagina 16)

Alsook:

“Het opnemen van internationale studenten in de academische gemeenschap wordt bereikt door consistent tweetalige communicatie aan te bieden voor alle diensten en activiteiten. Daarnaast zetten we specifieke diensten en activiteiten op voor internationale studenten.” (pagina 20)

Weliswaar zijn deze citaten enigszins uit de context van hun hoofdstukken gehaald, maar de teneur is duidelijk: internationaal zijn is iets goeds dat de universiteit moet nastreven. Het proces om die academische heilstaat te bereiken staat alom bekend als internationalisering. Het interessante is nu juist dat er in het visiedocument geen definitie of omschrijving wordt gegeven van dat begrip. Dat valt te verdedigen door te stellen dat de RUG (zoals ze zelf beweert) al een internationale universiteit is, maar bovenstaande citaten suggereren echter ook dat het internationaliseringsproces nog gaande is en het stadium van ‘internationale universiteit’ dus nog niet is bereikt. De ‘Internationaliseringsagenda Hoger Onderwijs’, een voortbrengsel van de belangenverenigingen van universiteiten (VSNU) en hogescholen (VH), helpt ons wat meer op weg:

“Internationalisering is de bewuste integratie van een internationale, interculturele of mondiale dimensie in het doel, de functies en het aanbieden van het hoger onderwijs. Deze bewuste integratie heeft een verbetering van de kwaliteit van onderwijs en onderzoek voor alle studenten en medewerkers tot doel en moet tot een zinvolle bijdrage aan de samenleving leiden.” (pagina 54)

VSNU en VH hebben deze woordenbrij niet zelf uitgedokterd – ‘De Wit, 2015’ staat vermeld achter de definitie, wie of wat dat ook mag zijn. Het heeft er alles van weg dat internationalisering in hetzelfde rijtje past als klimaatverandering, duurzaamheid en sociale ongelijkheid. Dit zijn allemaal voorbeelden van wicked problems, ‘ongestructureerde problemen’ in het Nederlands. We spreken hiervan als het een moeilijk of onmogelijk oplosbaar probleem betreft omdat de voorwaarden voor probleemoplossing niet alleen moeilijk te identificeren zijn, maar ook onvolledig, tegenstrijdig en veranderend. Beleidsmakers hebben dus vrijwel altijd een eigen interpretatie van een probleem en hoe dat moet worden opgelost. Inderdaad, ik beschouw internationalisering in deze context als een probleem.

De RUG vertaalt internationalisering in ieder geval naar de creatie van een inclusieve en diverse sociale en academische gemeenschap. Geheel in lijn met het ideaal van de maakbare samenleving is geld een belangrijk instrument om deze gemeenschap te creëren. Dat geld komt in de vorm van internationaliseringssubsidies, versie A en versie B, die ten goede komen aan studentenorganisaties. Hieruit blijkt dat de RUG het georganiseerde studentenleven als het fundament ziet van de academische gemeenschap, aan studentenzijde althans – chapeau aan al die studentbestuurders. Het Centraal Uitvoeringsorgaan voor de Studentenorganisaties (CUOS), ook wel bekend als het intern DUO van de RUG, is belast met de vaststelling en toekenning van deze zakken geld.

De A-variant bestaat sinds 2010 en moet “ondersteuning bieden bij de oprichting of uitbreiding van een nieuwe, internationale studentenorganisatie”. De B-variant is van recenter datum, namelijk 2017, en is bedoeld voor “het stimuleren van internationalisering binnen Nederlandse studentenorganisaties en zodoende de internationale inclusieve academische gemeenschap te bevorderen”. De cursivering is van mijn hand, voor de rest zijn deze zinnen letterlijk overgenomen uit de ‘CUOS-Regeling Internationaliseringssubsidies’. Artikel 2 van het reglement benadrukt nog maar eens dat de subsidies voor internationale studenten zijn bedoeld, ware het niet dat de A-versie hen moet stimuleren zich in internationale organisaties te verenigen en de B-versie hen moet aansporen om bij Nederlandse organisaties actief te worden.

Het getuigt van goede bedoelingen van de universiteit dat ze graag buitenlandse studenten (waar slaat dat ‘internationale’ toch ook eigenlijk op?) meer wil betrekken bij het Groningse studentenleven. In een eerder essay in Nait Soez’n heb ik al aangegeven wat de meerwaarde daarvan is, namelijk het vergroten van je culturele bagage en daarmee je persoonlijke vorming. In datzelfde stuk roerde ik aan dat buitenlandse studenten hun eigen etnisch-nationale organisaties hebben waarbinnen ze (een deel van) hun studententijd in Groningen doorbrengen. Welnu, die organisaties zijn een regelrecht gevolg van Internationaliseringssubsidie A. Van 5 landen (China, India, Indonesië, Turkije en Vietnam) en 2 continenten (Afrika en Zuid-Amerika) hebben inwoners – studenten en soms ook stafleden – met financiële hulp van de RUG ‘internationale’ organisaties opgericht. Die hulp vormt vaak een bijzonder groot deel van hun inkomsten.

In de praktijk worden alleen Indonesiërs lid van de Indonesische studentenorganisatie en Turken van de Turkse studentenorganisatie. Daar is niets internationaals aan. Dat zijn etnische zuilen binnen de Nederlandse maatschappij. De RUG houdt deze zuilen, bewust of onbewust, in stand en remt indirect hun leden om in contact te komen met de Nederlandse samenleving – zowel de studenten als de Stadjers. In plaats van een academische gemeenschap is er sprake van een academische verzuiling. Tekenend is dat het eerder genoemde CUOS-reglement bij de A-variant niet expliciet stelt dat de “inclusieve internationale academische gemeenschap” erbij gebaat is, zoals bij de B-variant. Laten we ook niet de spreekwoordelijke ‘lange arm van…’ uitsluiten bij 3 van de genoemde landen, waar regimes aan de macht zijn die op z’n minst dubieus zijn te noemen. Ik stel niet dat er sprake is van buitenlandse beïnvloeding bij sommige organisaties, maar waakzaamheid is in deze gevallen wel gepast.

Neem dan de B-variant! Studentenorganisaties legden het CUOS vorig jaar een brede waaier aan plannen voor om de buitenlandse studenten in hun gelederen te mobiliseren. In veel gevallen ging het om onkostenvergoedingen voor de vertaling van officiële stukken als statuten en huishoudelijke reglementen, maar vaak genoeg kwamen er ook sociale activiteiten voorbij waar Nederlandse en niet-Nederlandse studenten daadwerkelijk met elkaar in contact komen. Denk aan het jaarlijkse introductiekamp, een carrière-evenement of een schaatsclinic. Dan is er echt sprake van het bij elkaar komen van “culturele verschillen […] om van elkaar te leren.” Wat de resultaten ook mogen zijn van deze subsidiestroom, het beoogde gebruik ervan past overduidelijk meer in de strategische visie op het internationale karakter van de RUG.

Kortom: waar de ene internationaliseringssubsidie segregeert, is het de andere subsidie die juist integreert. En alleen met die laatste geldstroom moet de universiteit doorgaan. Anders gooit de RUG haar eigen ruiten in door wél een inclusieve internationale academische gemeenschap te willen maar níét de hindernissen weg te nemen die die gemeenschap in de weg staan. Daardoor blijft er ook nog eens extra geld over voor de studentenorganisaties. Geld stinkt niet, toch?

Christiaan Brinkhuis