Halverwege september maakte de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ingrid van Engelshoven, bekend dat er een halt wordt toegeroepen aan het aannemen van promotiestudenten aan de Nederlandse universiteiten. Het veelbesproken ‘bursalenexperiment’ van voormalig minister Bussemaker wordt hiermee niet verder uitgebreid. Een interessante ontwikkeling binnenin de discussie hierover die op en rondom de universiteit actief werd gevoerd. Even opfrissen: wat was die discussie precies, en wat gaat er nu gebeuren?

We zijn allemaal wel bekend met de term ‘PhD’ers’ of ‘promovendi’. Het gaat hierbij om mensen die onderzoek doen aan de universiteit en op basis daarvan hun proefschrift schrijven, om vervolgens daarop te promoveren tot doctor. Promovendi zitten hiermee dus min of meer in de tussenfase tussen een universitaire (onderzoeks)master en een daadwerkelijke academische carrière. Om aan de slag te kunnen gaan als onderzoeker op de universiteit, is een promotie dus dé manier. Binnen Nederland is het sinds jaar en dag zo geregeld dat promovendi als medewerker in dienst zijn bij de universiteit. Ze werken immers actief aan hun wetenschappelijk onderzoek en dragen zodoende bij aan één van de kerndoelen van hun universiteit. Als medewerker wordt er van promovendi ook verwacht dat ze een aantal nevenwerkzaamheden vervullen aan de universiteit, zoals het geven van colleges aan studenten. De medewerkerspositie die promovendi genieten in Nederland is echter niet per se gebruikelijk: in veel andere landen, waaronder de Verenigde Staten, worden promovendi officieel beschouwd als student. Promovendi zijn daarmee niet in dienst van de universiteit, hebben zodoende geen arbeidscontract maar worden gefinancierd door middel van een soort studiebeurs.


Gezien de landelijke desinteresse is het op z’n minst opmerkelijk dat de RUG met zo’n groot enthousiasme zo’n aanzienlijk aantal student-promovendi aan heeft gesteld. 

De proef

In Nederland is voormalig minister Bussemaker in 2016 een proef begonnen waarbij Nederlandse universiteiten naast PhD-medewerkers ook een bepaald aantal promotiestudenten konden aanstellen. Deze laatste groep, de zogeheten ‘bursalen’, krijgen, net als in de Verenigde Staten, in plaats van een arbeidscontract een beurs van de universiteit. Het oorspronkelijke idee was om in 2021 zo’n 2000 bursalen aangesteld te hebben in het hele land. In eerste instantie werden er landelijk vanaf 2016 865 studentenpromotieplekken toegewezen – in de praktijk verdeeld over slechts twee universiteiten. Dit laatste kwam omdat bijzonder weinig universiteiten interesse toonden in het experiment. Het was vooral de Rijksuniversiteit Groningen die gretig toehapte: in onze stad werden er tussen 2016 en 2018 maar liefst zo’n 600 promotiestudenten aangesteld. In totaal kan de RUG er 850 aanstellen – de overige 15 plekken zijn voor de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

Gezien de landelijke desinteresse is het op z’n minst opmerkelijk dat de RUG met zo’n groot enthousiasme zo’n aanzienlijk aantal student-promovendi aan heeft gesteld. Maar de motieven van de universiteit zijn ook duidelijk. De beurs die promotiestudenten ontvangen kost de universiteit aanzienlijk minder geld dan de kosten van een arbeidscontract waar PhD-medewerkers recht op hebben. De gedachte achter deze financiële prikkel is niet bedoeld als een bezuiniging op promotieplekken, maar wordt eerder gezien als een investering: wanneer promotieplekken goedkoper zijn, kunnen er logischerwijs ook meer promovendi worden aangesteld. De beruchte bottleneck tussen het voltooien van een onderzoeksmaster en het verkrijgen van een promotieplek wordt hiermee iets minder krap en meer ambitieuze studenten krijgen hierdoor dus de mogelijkheid tot een promotie.

Kritiek

Mede vanwege het bovenstaande werd het bursalenexperiment van Bussemaker door de universiteit toegejuicht. Toch waren er na de aankondiging en vooral na de invoering van het experiment ook veel tegengeluiden te horen. Deze kritiek was vooral gestuwd op de gedachte dat het oneerlijk is dat er een aanzienlijk verschil wordt gecreëerd tussen twee posities – de bursalen en niet-bursalen – die eigenlijk neerkomen op hetzelfde werk. Naast dat promotiestudenten bijvoorbeeld aanmerkelijk minder financiële vergoeding krijgen voor hun werk dan PhD-medewerkers, betekent het feit dat bursalen geen contract hebben ook dat ze geen recht hebben op pensioenopbouw of vakantiegeld, en ze maken überhaupt geen onderdeel uit van cao-afspraken. Ook hebben promotiestudenten in eerste instantie minder tijd om hun onderzoek af te ronden. Onder andere deze verschillen zorgen ervoor dat sommige bursalen zich voelen als een soort tweederangs PhD’ers – terwijl ze in essentie zijn aangesteld voor hetzelfde werk, namelijk onderzoek. Vanwaar dan deze grote en oneerlijke verschillen?

Volgens Bussemaker en de universiteit zelf valt deze oneerlijkheid wel te overzien. In eerste instantie is het inherent aan het experiment dat er verschillen ontstaan tussen PhD-studenten en PhD-medewerkers. PhD-studenten hebben bijvoorbeeld, omdat ze niet in dienst zijn van de universiteiten, geen arbeidsrechtelijke verplichtingen. Ze kunnen bijvoorbeeld niet worden verplicht onderwijs te geven, terwijl PhD-medewerkers daar wel mee te maken hebben. Tevens is er binnen het bursalenexperiment meer aandacht voor een carrièreperspectief buiten de academie. In de praktijk blijft het merendeel van alle promovendi namelijk niet werken aan een universiteit na hun promotie, maar zoekt elders werk. Een doel van het bursalenexperiment is nu juist om te uit te zoeken of bursalen, die tijdens hun promotietraject extra begeleid worden bij het verbreden van hun carrièreperspectief na hun promotie, sneller aan werk komen buiten de academie.


Kritiek was vooral gestuwd op de gedachte dat het oneerlijk is dat er een aanzienlijk verschil wordt gecreëerd tussen de bursalen en niet-bursalen

Dit laatste gebeurt via een speciaal onderwijstraject, bedoeld voor bursalen – zij zijn en blijven immers studenten. Bovendien is het binnen de RUG zo geregeld dat bursalen wel recht hebben op bepaalde basale sociale voorzieningen, zoals een WW-uitkering en een ziekte- en zwangerschapsverlof. Kortom: de verschillen die er zijn, zijn er met een reden, en zijn zeker niet oneerlijk, aldus de voorstanders van het experiment.

Einde experiment

Toch blijft de situatie wringen bij de critici van het experiment. Feit blijft dat dit experiment – kennelijk bewust – een verschil heeft gecreëerd tussen promovendi, en niet alle promotiestudenten lijken dit als prettig te ervaren, zo blijkt bijvoorbeeld uit recente berichtgevingen van de Universiteitskrant1 of het NRC2. Hieruit blijkt ook dat het feit dat bursalen als studenten minder verplichtingen hebben jegens de universiteit niet per se als positief wordt ervaren. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat bursalen geen onderwijs hoeven te geven, terwijl er ook onder de bursalen een behoefte kan bestaan aan onderwijservaring. Daarbij wordt het onderscheid tussen de promovendi niet per se gerechtvaardigd door het feit dat er bij promotiestudenten meer focus ligt op een breder carrièreperspectief, want waarom zou een dergelijk traject niet kunnen worden ingevoerd voor promovendi binnen het reguliere systeem? Is het gemaakte onderscheid tussen medewerkers en studenten dan überhaupt van waarde?


Feit blijft dat dit experiment – kennelijk bewust – een verschil heeft gecreëerd tussen promovendi

Zorgen als de bovenstaande hebben Groenlinks-kamerlid Zihni Özdil onlangs gemotiveerd om nog eens verhaal te halen bij minister van Engelshoven. Omdat het in 2016 gestelde maximum van 2000 promotiestudenten in 2018 nog altijd niet gehaald was, vroeg Özdil zich vooral af of de minister uiteindelijk nog voornemens was het experiment te verlengen door een nieuwe aanvraagronde open te stellen aan de universiteiten. De minister heeft aangegeven dit niet van plan te zijn. Omdat de RUG binnen de eerste ronde van het experiment nog niet alle toegewezen plaatsen heeft benut, mogen er nog nieuwe promotiestudenten worden aangesteld tot de limiet van 850 is bereikt. Ondertussen blijven de discussies over de ontstane kloof tussen PhD-studenten en -medewerkers dus aan de gang – het experiment wordt misschien niet verlengd, maar voor de reeds aangestelde bursalen blijven de bovenstaande kritiekpunten actueel. Het is te hopen dat er intussen geluisterd zal worden naar de aanhoudende zorgen van de bursalen en dat deze zo veel mogelijk weggenomen zullen worden.

Sybolt Friso

Verder lezen? Tweederangs PhD’s (Universiteitskrant) en Universiteit Groningen kleedt het promoveren verder uit (NRC Handelsblad)