Wie een studie begint aan de universiteit of hogeschool betaalt maar 1000 euro collegegeld. Dat is de helft van de ‘normale’ 2000 euro (en nog wat meer) die ouderejaars betalen. Die 1000 euro is echter nog steeds een enorm bedrag als we het vergelijken met wat studenten een halve eeuw geleden betaalden. De eigen bijdrage die een student in 1968 voor zijn of haar studie betaalde was 200 gulden. Omgerekend naar euro’s (gecorrigeerd voor inflatie en volgens de koers van 31 december 2001) komen we uit op een bedrag van slechts 91 euro. Slechts 4 jaar later, in 1972, moesten studenten niet alleen 1000 gulden (454 euro) collegegeld betalen maar verkeerde het hoger onderwijs ook in een financiële chaos. Het jaar daarop moest een student opeens weer 500 gulden (227 gulden) betalen. Waarom vertoonde de hoogte van het collegegeld zo’n grillig patroon in de eerste helft van de jaren ‘70?

Arm en rijk naar de universiteit

De kosten voor het hoger onderwijs waren in Nederland na de Tweede Wereldoorlog sterk gestegen. Dat kwam vooral door de naoorlogse geboortegolf, die ook wel als de ‘babyboom’ bekend is komen te staan. De overheid hielp ook een handje mee. Opeenvolgende kabinetten tuigden een stelsel van studiefinanciering op dat een steeds groter aandeel van de bevolking de mogelijkheden gaf om te gaan studeren. De overheid zag al in de jaren ’50 in dat een hooggeschoolde beroepsbevolking nodig was om de moderniserende economie draaiende te houden. Studeren was eeuwenlang een voorrecht geweest voor de welgestelde bovenlaag of de enkeling die een beurs van een particuliere instelling kon bemachtigen. Na de oorlog konden ook kinderen uit de midden- en lagere klasse het zich veroorloven om naar de universiteit te gaan. De cijfers spreken voor zich: 28.000 studenten in 1950, 40.000 in 1960 en maar liefst 103.000 in 1970.

De toename van het aantal studenten vertaalde zich echter niet in een evenredige groei van ledenaantallen van de traditionele corpora ofwel gezelligheidsverenigingen. De ‘nieuwe’ studenten vormden daarentegen de basis van de in 1963 opgerichte Studenten Vak Beweging (SVB). De SVB streed voor betere materiële, sociale en financiële voorzieningen voor studenten en verlangde bovendien meer sociale betrokkenheid onder studenten. In een paar jaar tijd slaagde de SVB erin om, door middel van grote acties, de Nederlandse autoriteiten zover te krijgen dat zij als de belangenbehartiger van studerend Nederland bekend kwam te staan.

De activistische studenten hadden steevast één wens die ze tijdens hun demonstraties in de loop van de jaren ‘60 uitdroegen; studenten moesten niet langer financieel afhankelijk zijn van hun ouders. Het systeem van studiefinanciering zoals dat vandaag de dag grotendeels bestaat is afkomstig uit 1986. Tot die tijd werden studenten financieel ondersteund via de kinderbijslag. Als zoon- of dochterlief geld nodig had, moest hij of zij dus aankloppen bij de ouders. In het geval dat de ouders financieel niet draagkrachtig genoeg waren, kon de student aanspraak maken op een ‘rijksstudietoelage’. Aan deze afhankelijkheid moest een einde komen door de introductie van een ‘studieloon’. De SVB vond dat studenten, net als werknemers in bedrijven, een maatschappelijke activiteit ontplooiden waar ze een loon voor zouden moeten krijgen.

Op weg naar nieuwe verhoudingen

Hoewel de politiek de toenmalige studiefinanciering ook aan verandering toe vond – al was het maar om deze enorm uitdijende begrotingspost onder controle te krijgen – zorgde de groeiende studentenonrust ervoor dat de kwestie een heet hangijzer was geworden. In december 1967 gaf onderwijsminister Gerard Veringa een commissie onder leiding van oud-minister van Economische Zaken Koos Andriessen daarom de opdracht de opties te onderzoeken voor een nieuw financieringssysteem. De commissie-Andriessen nam 4 jaar de tijd voordat zij zich met een lijvig rapport weer bij de minister meldde. In het rapport stonden drie alternatieven uitgewerkt. Het eerste alternatief ging goeddeels uit van het voortbestaan van het huidige stelsel, dus de combinatie van kinderbijslag en rijksstudietoelagen. Het tweede alternatief richtte zich op het verstrekken van een beurs aan elke student. Het derde en meest radicale alternatief was de introductie van het ‘basis-studieloon’ zoals de SVB dat bepleitte. Studenten zouden dan een aparte categorie in het socialezekerheidsstelsel worden van wie de rechten als in een arbeidscontract werden vastgelegd.

In de tussentijd, in 1968-1969, waren de spanningen aan de universiteiten tot een uitbarsting gekomen. De bestuursgebouwen van de Katholieke Hogeschool Tilburg en de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam werden bezet door boze studentactivisten. Minister Veringa beantwoordde hun roep om een democratischer bestuur van de universiteit in 1970 met de Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB). Studenten kregen daarmee vergaande inspraak in het universiteitsbestuur. De SVB had haar doel van bestuurlijke democratisering bereikt, maar uitsluitsel over het systeem van studiefinanciering liet nog op zich wachten. Een jaar later trad een nieuw kabinet aan onder aanvoering van Barend Biesheuvel (1920-2001). Biesheuvel en zijn ministersploeg wisten wel wat er moest gaan gebeuren met de studiefinanciering. “De veranderende eisen van de maatschappij, de enorme groei van de wetenschap en de snelle ontwikkeling binnen de universitaire gemeenschappen noodzaken tot een fundamentele herwaardering van de werkwijze van ons wetenschappelijk onderwijs, o.a. uit een oogpunt van doelmatigheid,” verklaarde de nieuwbakken premier tijdens de regeringsverklaring op 3 augustus 1971. Het profijtbeginsel deed hiermee zijn intrede in het hoger onderwijs. Wie gebruik maakte van overheidsdiensten diende daarvoor te betalen, aldus het regeerakkoord. Maar zonder te wachten op een uitgewerkt plan voor een nieuw studiefinancieringsstelsel kondigden de opvolgers van Veringa, Mauk de Brauw en Christiaan van Veen, aan om het collegegeld in één klap te verhogen van 200 naar 1000 gulden.

Uit de as herboren

De studentenbeweging leefde weer helemaal op door deze bezuinigingsmaatregel. De SVB was na de invoering van de WUB uit elkaar gevallen. Een deel van de SVB was tevreden gesteld met de bestuurlijke democratisering terwijl een ander deel teleurgesteld was achtergebleven. Volgens hen was de regering onvoldoende tegemoet gekomen aan hun wensen en dat werd nog eens versterkt door de collegegeldverhoging. Maar aangezien de SVB ter ziele was gegaan, moest er een nieuwe organisatie komen die de kracht van de studenten kon bundelen.

In juli 1971 werd daartoe in Groningen het Landelijk Overleg Grondraden (LOG) opgericht. Het LOG was een samenwerkingsverband van grondraden, belangenbehartigende studentenorganisaties, in (vrijwel) elke universiteitsstad. De Groninger Studentenbond (GSb), een doorstart van de lokale SVB-afdeling en bovendien de dominante groep in de grondraad in Groningen, nam het voortouw in het verzet tegen de bezuinigingsplannen. De ‘duizendguldenwet’, zoals de collegegeldverhoging al gauw werd genoemd, werd dankzij minister De Brauws eigen optreden het mikpunt van acties van het LOG. Hij had de verhoging namelijk als hoeksteen van zijn beleid gepresenteerd. Het was voor de studenentactivisten dan ook glashelder: als deze maatregel erdoorheen kwam, zou de rest van het “afbraakbeleid” volgen. Al zingend trok de studentenbeweging ten strijde:

“Ons kabinet schudt asosjale plannen uit z’n mouw

Zoals het duizendguldenplan van jonkheer M. de Brauw

Profijtbeginsel, schijtbeginsel, kennen we van hem

En daarom stellen wij met klem:

De Brauw krijgt nooit z’n duizend ballen

Al moet het kabinet ook vallen

Van hun afbraakpolitiek heeft slechts het kapitaal profijt

Voer dus samen met het LOG de strijd!”

Tegenover het profijtbeginsel stelde de studentenbeweging het solidariteitsbeginsel: samen helpen we elkaar. Alles werd in het werk gesteld om de collegegeldverhoging tegen te houden. Tienduizenden studenten kwamen op demonstraties af, ondertekenden petities en namen deel aan allerlei andere acties zoals bezettingen van universiteitsgebouwen en collegestakingen. In het voorjaar van 1972 was er aldus sprake van een wedstrijdje armpje drukken tussen het LOG en De Brauw. De Tweede Kamer stemde op 28 juni van dat jaar weliswaar in met de duizendguldenwet, maar de Eerste Kamer kon daar nog altijd een stokje voor steken. In de senaat zaten namelijk veel hoogleraren die niet zomaar wilden instemmen met het wetsvoorstel, uit angst voor hun protesterende studenten. Tijdens de schorsing van de behandeling in de Eerste Kamer moesten premier Biesheuvel en zijn ministers twijfelende senatoren over de streep trekken. Deze aanpak had succes: op 4 juli ging ook de Eerste Kamer akkoord.

Krap twee weken later mocht de studentenbeweging zich verblijden met het uittreden van De Brauw en zijn partijgenoten uit het kabinet, waarmee het kabinet-Biesheuvel ten val kwam. Het LOG greep dit ook aan om de wet weer in te laten trekken. Afhankelijk van wat de kabinetsformatie zou brengen gold voor de bij het LOG aangesloten organisaties dat ze een boycot van het betalen van collegegeld zouden uitvoeren. Als ze de invoering van de wet niet konden verhinderen, dan zouden ze de uitvoering van de wet wel belemmeren. Studenten uit heel Nederland gaven gehoor aan de oproep om geen collegegeld te betalen. De financiële administratie van universiteiten werd een puinhoop. Studenten en universiteitsbestuurders lagen bovendien met elkaar overhoop over de inning van het collegegeld. In mei 1973 draaide de nieuwe onderwijsminister, Jos van Kemenade, de verhoging gedeeltelijk terug om de onrust te bedaren. Studenten hoefden niet langer 1000 maar 500 gulden neer te leggen. Massaal protesterende studenten die een collegegeldverhoging weten terug te draaien – dat moeten we nog steeds kunnen, toch?!

Christiaan Brinkhuis