Interview

Op de gevoelige plaat

“De nieuwe locatie van de UB, daar werd het hele jaar over gediscussieerd”

Sloop van de Martinuskerk ten behoeve van de bouw van de UB. Foto Elmer Spaargaren

Waar ooit het Oosterparkstadion het aangezicht van de Oosterparkwijk domineerde, staat het tegenwoordig vol met nieuwbouw. In een van deze huizen woont Elmer Spaargaren (66), de ‘hoffotograaf’ van de RUG die al 40 jaar foto’s maakt voor de universiteit. Vorig jaar is zijn werk gebundeld in het fotoboek Stad en universiteit – Academiestad Groningen in beeld. In de jaren ’70 maakte hij al foto’s, onder andere voor de Nait Soez’n, en in 1978-1979 zat hij namens de GSb in de Universiteitsraad. De redactie van de Nait Soez’n zocht hem op een koude maandagmorgen op.

Hoe ben je bij de GSb terecht gekomen?
“Poeh, even denken hoor… Dat zal aan het begin van de jaren ’70 zijn geweest, denk ik. Ik was al lid van Gronstra [Groninger Studentenraad, voorloper van de GSb, red.] maar die werd opgeheven, toen kwam de GSb vrij plotseling op. Er werd ook bij ons geworven voor nieuwe leden en toen ben ik er redelijk snel lid van geworden.”

En in 1972 meteen bij de Nait Soez’n gegaan?
“Nee hoor, dat was nog niet meteen aan de orde. Ik had eerst een jaar sociale geografie gedaan maar ben toen afgehaakt en heb een jaar gewerkt. Daarna maakte ik de overstap naar sociologie. Ik gok dat het 1974 of 1975 was dat ik bij de redactie terecht kwam. Ik schreef zelf niet, maar ik leverde op onregelmatige basis foto’s aan.”

“De GSb bracht nog wel eens moties in stemming die niks met de Universiteitsraad te maken hadden”

Wat maakte het anders dan andere studentenbladen?
“De Universiteitskrant kwam wekelijks uit en was actueler, de Nait verscheen onregelmatiger. Die verscheen eens in de twee weken gok ik. Je had dan nog wel Der Clercke Cronike, maar dat was nog wel een kleine club, publiceerde niet zoveel meer. In de tweede helft van de jaren ‘70 had je een groep linkse studenten binnen en buiten de GSb die het niet helemaal kon vinden met de starre lijn van de GSb. Dat betrof de koers van de Nait Soez’n, de politieke koers van de GSb zelf en meer. Die groep organiseerde zich niet zo grondig als de GSb en was wat gematigder. De naam wil me helaas niet te binnen schieten. De GSb bracht nog wel eens moties in stemming die helemaal niks met de Universiteitsraad te maken hadden, zoals de toestanden in Latijns-Amerika. Een deel van het personeel kon daar nog wel in meegaan maar het grote deel van de raad moest daar niks van hebben.”

Foto: Elmer Spaargaren (zelfportret)

Hoe verklaar je de invloed van de CPN in de jaren ‘70?
“Ik was zelf geen lid van de CPN [Communistische Partij Nederland, red.] maar van de FJG [Federatie van Jongerengroepen, red.], de jongerenafdeling van de PvdA. Het viel gewoon op met die communisten. Ik had nog wel eens het idee dat er druk was vanuit het CPN-kantoor aan de Turftorenstraat. Sommige GSb’ers waren lid van de CPN en die vroegen me wel eens om lid te worden, maar dat heb ik nooit gedaan. Een paar keer in de jaren ’70 organiseerde de CPN Volkscongressen en lieten daar allemaal mensen naartoe komen die het moeilijk hadden. Daar wilden ze zoveel mogelijk onvrede bundelen uit alle lagen van de samenleving en laten zien. Boeren, vissers, onderwijzers, militairen die actief waren in de VVDM [Vereniging van Dienstplichtige Militairen, red.], industrie-arbeiders en studenten… Die kwamen allemaal op die congressen aan het woord. Ik ging zelf ook naar die Volkscongressen toe, kijken wat er nou allemaal gaande was. Ik vond het erg interessant. Pim Fortuyn was daar ook een van de sprekers.”

Pim Fortuyn? Hoe kwam hij zo in Groningen terecht?
“In mijn studententijd waren de middelen zodanig verdeeld dat het aantal studenten bepalend was voor het aantal sta eden. Bij mijn studie, sociologie, waren er in korte tijd zoveel studenten gekomen dat er snel heel wat personeel bijkwam. We hadden daar als studenten enige invloed op. Als de studenten colleges wilden over vrouwenstudies, nou, dan moest er een deskundige op dat terrein in huis worden gehaald. Zo ging dat met Pim Fortuyn ook: marxistische sociologie, waar hij goed in thuis was, moest een vakgebied worden bij sociologie. Meer in het algemeen leefde er ook de wens om de studie te combineren met de maatschappelijke praktijk want op dat punt schoot de universiteit tekort.”

Hoe ging dat in zijn werk?
“Ongeveer vanaf 1975 ontwikkelden studenten en progressieve sta eden initiatieven om te komen tot een wetenschap die meer betrokken was bij de maatschappij, zoals projectgroepen en wetenschapswinkels, die we ‘wewi’s’ noemden. Daar kon je je studie in de praktijk brengen. In bijvoorbeeld diverse bedrijfstakken waren reorganisaties en ontslagen aan de orde van de dag. Studenten, docenten en personeelsleden van bedrijven kwamen dus bij elkaar en zochten naar antwoorden op zulke problemen in het bedrijfsleven. Bij bijvoorbeeld geneeskunde, farmacie, geschiedenis, pedagogiek en scheikunde ontstonden dergelijke ‘wewi’s’. Vanuit de GSb ondersteunden we zulke wewi’s erg. Die maatschappelijke betrokkenheid vanuit je studie vonden we erg belangrijk. Bij de GSb was ook wetenschapsinhoudelijk veel interesse om je studie te verbeteren. Dat kwam sowieso al door je boeken, die waren zo eenzijdig en verouderd.”

Materiële voordelen via de studentenvakbond?
“Jazeker! Al ten tijde van de Gronstra kon je als lid allerlei kortingen krijgen. Het lid worden van de Gronstra bracht ook al materiële voordeeltjes met zich mee. Er was een reductiewinkel waar je tegen kortingen van 10 tot 20 procent boeken en andere studiematerialen kon kopen. Bij een filmhuis, Liga ’68, kon je terecht om films te kijken. Als je voor een redelijke prijs op vakantie wilde kon je aankloppen bij de NBBS [Nederlands Bureau voor Buitenlandse Studentenbetrekkingen, red.]. De Gronstra was dus erg gericht op een goede service.”

“Als de studenten colleges wilden over vrouwenstudies, nou, dan moest er een deskundige op dat terrein in huis worden gehaald”

Raadsjaar 1978-1979: wat waren de grote thema’s die studenten aan gingen?
“Ik kan me nog heel goed de vergaderingen over de nieuwe locatie van de UB herinneren, daar werd het hele jaar door over gediscussieerd. De ingang van de oude UB zat aan de Oude Kijk in ‘t Jatstraat, tegenwoordig zit daar het Universiteitsmuseum. Er waren plannen voor drie locaties: de Broerkerk, het Hortusgebied, dus op de plek van het Heymansgebouw en al die bijgebouwen daar, of op Zernike, wat in die tijd nog als Paddepoel bekend stond. In de jaren ‘70 was dat gebied nog in opbouw als universiteitscomplex. Mijn studie, sociale geogra e, was net verhuisd van de Kraneweg naar de WSN-flat, die vandaag de dag het Duisenberggebouw heet. Aan de andere kant van de vijver stond de

nieuwbouw voor natuur- en scheikunde. Die studies zaten daarvóór aan de Bloemsingel en Het Kasteel, op de driehoek Kraneweg-Westersingel-Melkweg. We hadden als studenten de meeste moeite met Zernike, we vonden dat de universiteit zich niet moest focussen op een campus daar. De bibliothecaris van de UB wilde voor de meeste ruimte gaan. Hij zat bij zo’n beetje elk overleg. De meerderheid van de Universiteitsraad en het College van Bestuur kozen uiteindelijk voor het centrum. De sloop van de Broerkerk [ook wel Martinuskerk, red.] had ook wel wat voeten in de aarde, want er werd nog wat archeologisch onderzoek gedaan. Op de plek van de kerk stond ooit een klooster. Bij opgravingen kwamen skeletten van monniken naar boven die daar lang geleden waren begraven.”

“18 mensen voor één telefoon in de vleugel van onze studentenflat, ongelooflijk gedoe altijd”

Hoe heeft je fotografische carrière zich ontwikkeld?
“Ik ben begonnen met fotograferen toen ik op de middelbare school zat. Bij een reisje naar Parijs was ik druk bezig met foto’s maken en klasgenoten vroegen of ze ook afdrukken konden krijgen. Tijdens de studie ben ik actiever geworden met fotograferen, zowel voor de UK als de Nait. Via redacteuren van de UK ben ik bij andere organisaties en bladen terechtgekomen en zo is het een beetje gegaan. De UK had zelf geen eigen fotograaf maar maakte gebruik van de fotodienst van de universiteit. Die dienst kon echter vaak niet in de avonden en in de weekenden dus daar ontstond wat frictie over. Ik ben dus een beetje in dat gat gesprongen. De UK plaatste veel foto’s over van alles en nog wat: een portret van de nieuwe voorzitter van het College van Bestuur, studentenacties, afbraak van de Broerkerk, noem maar op. Daar wilden ze mij voor hebben om foto’s van te maken. Het schuurde regelmatig tussen de redactie en het bestuur van de UK. Toen een nieuwe hoofdredacteur moest worden benoemd, had het bestuur ineens een tegenkandidaat. Dat zette zoveel kwaad bloed dat er korte tijd zelfs twee UK’s naast elkaar bestonden: de reguliere UK en een ‘nood-UK’. In mijn tijd kwam de UK helaas vaak genoeg direct bij het oud papier terecht, terwijl er genoeg nuttigs in stond. De afdeling communicatie van de RUG kocht per editie 4 pagina’s om daar allerlei informatie in kwijt te kunnen: mededelingen die per faculteit waren uitgesplitst, roosters van sportactiviteiten van de ACLO en dergelijke. Advertenties van lokale winkeliers stonden er ook vaak genoeg in, net als van typische studentenuitzendbureaus als ASA en Werkplan. Zulke uitzendbureaus wierven graag voor exwerk, bijvoorbeeld de nachtploegdiensten van de Iglo-fabriek in Hoogeveen en de DOMO-fabriek in Groningen [Drentse Ondermelk-Organisatie, voormalige zuivelproducent, red.].”

Welke grote veranderingen in het studentenleven zijn je opgevallen in de loop van die 40 jaar?
“Zo, goede vraag zeg… In ieder geval hadden we geen computers of laptops zoals jij nu hebt. Wel waren we bij sociologie een van de eersten die met computers aan de slag mochten. Het programma SPSS kwam op en dat konden we gebruiken voor onze vakken. We konden terecht bij het Rekencentrum op Paddepoel of een dependance daarvan aan Oude Boteringestraat 23. Het ging allemaal wel wat mondjesmaat met de komst van computers aan de universiteit, voor mijn gevoel. Pas met de komst van internet nam het een hoge vlucht. Er werd ook veel meer gebeld dan nu, kwam natuurlijk doordat we nog geen smartphones en sociale media hadden om met elkaar te communiceren. We moesten dus veel mondeling afspreken. Zowel in de publieke ruimte als in studentenhuizen en – ats waren zo weinig telefoons beschikbaar dat het in de praktijk knap moeizaam ging. Op het Kwinkenplein en de Grote Markt en in elke vleugel van de studenten ats had je een telefooncel. Die moesten we altijd maar gebruiken. Achttien mensen voor één telefoon, ongeloo ijk gedoe altijd.”

En wat het onderwijs zelf betreft…?
“Kijken we naar het onderwijs zelf dan zaten veel meer mensen thuis te studeren. Op de faculteit was er nooit genoeg plek. Het schrijven was ook zo’n gedoe. Alles moest nog op een ouderwetse schrijfmachine worden uitgewerkt. Bij de GSb was een stencilmachine aanwezig waar stukken voor vergaderingen, pam etten en dergelijke in korte tijd snel konden worden gedrukt. 500 per keer was niet ongebruikelijk. Studeren ging, kortom, veel meer met papier dan tegenwoordig. Wat betreft de samenstelling van de studenten, dan was het overgrote deel Nederlands. Ik kan me herinneren dat er een paar Duitsers waren, maar daar hield het wel mee op. Veel studenten maakten hun eigen eten niet zelf trouwens. In veel studentenkamers kon je niet koken, magnetrons en zo had je immers nog niet. Goedkope restaurantjes als pizzeria’s evenmin. Er waren een paar mensa’s waar je terecht kon. Vindicat had er twee, een voor leden en een voor niet-leden. De meeste mensen die ik kende en ikzelf trouwens ook gingen naar Vera in de Oosterstraat. Als je daarna nog gezellig wilde naborrelen dan kon dat daarboven bij Kemenade. Veel studenten gingen in het weekend naar huis met hun was, ook om ‘bij te eten’. Enorme drukte bij de bushaltes en het Hoofdstation zoals je je voor kan stellen. Het aantal mensen dat bij het Emmaviaduct stond te liften was gigantisch. Stonden daar zo’n 40 tot 50 mensen met hun duimpje omhoog! Als er dan een auto stopte was er meteen een stormloop op die auto van al die studenten die helemaal naar bijvoorbeeld Amsterdam moesten. Wat betreft het stadse leven is er veel industrie verdwenen, vooral de confectie- industrie en aanverwante bedrijven. Dan zijn er in totaal een paar duizend banen verdwenen. Veel van die bedrijven stonden in of direct rond de binnenstad, toch zonde van het aangezicht van het centrum dat die allemaal weg zijn gegaan.”

Christiaan Brinkhuis